Hoefkatrolsyndroom: alles wat u moet weten
Straalbeenontsteking, podotrochleose, palmar foot pain, straalbeenaandoening: veel namen voor een breed ziektebeeld
Het straalbeensyndroom is een veelvoorkomende kreupelheidsdiagnose bij rijpaarden en jaagt paardeneigenaren vaak angst aan, omdat het op veel plaatsen nog steeds als ongeneeslijk geldt. Het goede nieuws is: dat is niet altijd zo. In de loop der tijd zijn de diagnostische middelen namelijk aanzienlijk verbeterd en heeft men meer geleerd over de aandoening en vooral over de oorzaken ervan. Daarom zijn tegenwoordig niet meer alle patiënten met straalbeenontsteking automatisch “hopeloze gevallen”.
Help, mijn paard heeft straalbeen!
Om te begrijpen waarom de straalbeenaandoening zo verschillend is qua prognose en behandeling, moeten we de anatomie wat nader bekijken. Want: elk paard heeft een straalbeen! Om precies te zijn zit in elke hoef een zogenaamd straalbeencomplex. Dit bestaat uit:
- Straalbeen (een klein langwerpig botje in de hoef dat dient als “omkeerrol” voor de diepe buigpees)
- Verbindingsbanden van het straalbeen naar het hoefbeen en kroonbeen (= bovenste en onderste straalbeenband)
- Aanhechting van de diepe buigpees, die over het straalbeen loopt
- Straalbeenslijmbeurs, die zorgt voor het soepele “rollen” van de pees over het bot
- Aandeel in het hoefgewricht
Al deze onderdelen van het straalbeencomplex kunnen aangetast raken en dezelfde symptomen veroorzaken. De symptomen zijn daarbij vaak diffuus en niet constant: veelvuldig struikelen, stijve gang, kreupelheid vooral in krappe wendingen en op harde bodem, vermijden van belasting van het achterste deel van de hoef (teenlanding), vaak zijn beide voorhoeven aangedaan. Dezelfde symptomen kunnen echter ook optreden wanneer andere structuren in het achterste deel van de hoef pijnlijk zijn. Daarom spreekt men in het Engelse taalgebied vaak niet meer van “navicular syndrome” (= correcte vertaling voor “straalbeensyndroom”), maar in plaats daarvan van “palmar foot pain” of “caudal heel syndrome”, wat zoveel betekent als “pijn in het achterste deel van de hoef/verzeningsyndroom”.
Diagnose
Hoe weet men dan precies of daadwerkelijk het straalbeencomplex is aangedaan of een andere structuur? En als het het straalbeencomplex is: welk onderdeel dan?
Het antwoord is in de praktijk vaak lastig. Met behulp van geleidingsanesthesie kan slechts worden vastgesteld of daadwerkelijk het achterste deel van de hoef de pijn veroorzaakt, maar juist niet welk onderdeel binnenin de hoef precies. Met röntgen kunnen op hun beurt alleen botten zichtbaar worden gemaakt, d.w.z. hiermee kan alleen worden vastgesteld of het straalbeen gezond is. Vroeger werd de diagnose “straalbeenontsteking” gesteld zodra in het straalbeen verwijde vaatkanaaltjes zichtbaar waren. Deze kunnen echter ook door andere problemen zijn ontstaan (bijv. een eerdere en reeds genezen hoefgewrichtsontsteking) en zeggen niets over de acute toestand. Bovendien ontstaan deze straalbeenkanaaltjes pas in de loop van de tijd en zijn ze aan het begin van de aandoening op de röntgenfoto nog niet zichtbaar.
Gelukkig heeft zich de afgelopen jaren ook in de diergeneeskunde een verdere beeldvormende techniek verspreid, waarmee ook weke delen kunnen worden onderzocht: de magnetische resonantietomografie (MRI resp. MRT). Daarmee is het mogelijk om ook pezen en banden zichtbaar te maken. Een zekere diagnose voor een straalbeenontsteking kan daarom uitsluitend via MRI worden gesteld. In alle andere gevallen kan niet worden uitgesloten dat eigenlijk een heel ander deel in de hoef de pijn veroorzaakt.
Oorzaken van straalbeenontsteking
Omdat het straalbeencomplex uit zoveel verschillende structuren bestaat, is er ook een hele reeks aan oorzaken die elk van deze structuren kunnen irriteren of beschadigen. In zeldzame gevallen kan ook een trauma tot de aandoening leiden; in de allermeeste gevallen is het echter een overbelasting van de diepe buigpees of te veel druk op het straalbeencomplex, respectievelijk een verminderde doorbloeding, die tot het straalbeensyndroom leidt. Concrete veroorzakers van deze problemen kunnen zijn:
- Hoefstand:
- vlakke (negatieve) hoefbeenhoek: elke graad hoekvermindering betekent 4% meer belasting van de diepe buigpees
- zeer steile hoef (verminderd hoefmechanisme)
- te lange teen (extra belasting van de diepe buigpees bij het afwikkelen)
- te weinig “schokdemping” (ontbrekend weke-delenweefsel), bijv. door verzeningsvernauwing of verbening van het hoefkraakbeen
- te veel gewicht voor de hoefgrootte (te kleine hoeven of overgewicht)
- bewegingsgebrek
- onnatuurlijke bewegingen (vooral hoog tempo op cirkels, springen, algemene overbelasting van het voorhand)
Is het straalbeensyndroom behandelbaar?
Zoals in het begin vermeld, gold de straalbeenaandoening lang als ongeneeslijk, omdat men uitging van een degeneratieve aandoening van het straalbeen. In de hedendaagse praktijk komt het echter veel meer aan op welk deel van het straalbeencomplex precies is aangedaan (weke delen of bot) en waarom (oorzaakanalyse), respectievelijk in welk stadium het paard zich bevindt. Botveranderingen zijn onomkeerbaar, maar kunnen desondanks vaak goed worden gemanaged. Problemen aan de betrokken pezen, slijmbeurs of banden zijn vaak langdurig, maar kunnen afhankelijk van de oorzaak vaak volledig verdwijnen.
De behandeling moet daarom per oorzaak individueel worden afgestemd. Belangrijk is een grondig oorzaakonderzoek, zodat deze kan worden weggenomen, bijv. via een geoptimaliseerd bewegingsschema of aangepaste huisvestingsomstandigheden.
Aangezien de “echte” straalbeenontsteking echter vaak niet kan worden onderscheiden van andere ziekelijke toestanden in het achterste deel van de hoef, moet de eerste maatregel altijd ook liggen in het optimaliseren van de hoefgezondheid. In sommige gevallen volstaat al een correcte inkorting van de teen of het verhelpen van een verzeningsvernauwing of negatieve hoefbeenhoek om verbetering te bereiken. Eventueel is het zinvol om aanvullend een orthopedische hoefbescherming aan te brengen (bijv. voor het verhogen van de verzeningen, ontlasten van de diepe buigpees of voor extra demping).
Daarnaast kunnen pijnstillers, doorbloedingsbevorderende medicijnen of injecties (in gewricht of slijmbeurs) geïndiceerd zijn, afhankelijk van welke structuur is aangedaan.
Soms hoort men ook dat bij een “straalbeenpaard” een zenuwdoorsnijding (“neurectomie”) wordt aanbevolen of uitgevoerd. Daarbij wordt de zenuw doorgesneden die verantwoordelijk is voor de prikkelgeleiding in het achterste deel van






