Stelhoef – de aangeboren, verworven en onechte stelhoef
Wat is een bokhoef?
Bij een bokhoef is een buigpees van het paard verkort, waardoor de hoef te steil staat en er "bokkig" uitziet. Meestal is het de diepe buigpees die te kort is, waardoor het hoefgewricht permanent gebogen is. Het kan echter ook de oppervlakkige buigpees zijn die verkort is, waardoor de aanhoudende buiging in plaats daarvan in het kroon- of kootgewricht optreedt. Sommige paardenprofessionals noemen deze tweede variant "peesstelvoet", terwijl anderen de term synoniem gebruiken aan "bokhoef". Er bestaat evenmin een eenduidige definitie van deze twee begrippen als een duidelijk antwoord op de vraag vanaf wanneer een hoef als bokhoef wordt beschouwd. Sommigen spreken van een teenwandhoek vanaf 60° en meer, anderen hanteren de knik in de beenderas hoefbeen-kroonbeen-kootbeen als referentie.
In principe kan een bokhoef aan één of meerdere benen voorkomen en zowel voor- als achterhoeven kunnen aangedaan zijn; een bokhoef treedt echter vaker aan een voorbeen op.
Aan de achterhoeven wordt een bokhoef vaak gecombineerd aangetroffen met doorzakken (dus een zwakte van de kootzenuwbanddrager), wat uiteindelijk "berenpoot" wordt genoemd.
Een bokhoef kan in verschillende gradaties voorkomen en variëren tot zwevende verzenen of zelfs zulke ernstige gevallen waarin het veulen het aangedane been helemaal niet kan belasten.
Echte of onechte bokhoef?
Een echte bokhoef bestaat wanneer het paard de teengewrichten van de betreffende hoef fysiek niet kan strekken. Een onechte bokhoef daarentegen is een hoef die er weliswaar uitziet als een bokhoef, maar waarbij het paard fysiek in staat zou zijn om de teengewrichten volledig te strekken. Dat betekent dat de pezen lang genoeg zouden zijn, maar de hoef toch te steil lijkt (de verzenen zijn te hoog en de teen wordt overbelast).
De oorzaken van een onechte bokhoef kunnen talrijk zijn:
- ongemakkelijke verzenengebied (verkeerde/te weinig hoefbewerking, rotstraal enz.)
- oorzaak verder omhoog in het paardenlichaam (pijn in de schouder, problemen met de buigspieren e.d.)
- huisvestingsproblemen (te weinig beweging, te zachte ondergronden)
Hoe kan nu worden vastgesteld of het om een "echte" of "onechte" bokhoef gaat? Daarvoor kan de dierenarts een strekttest uitvoeren: hierbij wordt de hoef op het uiteinde van een plank gezet, zodat de rest van de plank richting het paardenhoofd wijst. Dit uiteinde wordt vervolgens langzaam opgetild. Als de hoef daarbij vlak op de plank blijft staan, worden de buigpezen gestrekt en blijkt dat deze dus nog verder rekbaar zouden zijn. Blijft daarentegen alleen de teen op de plank en "heffen" de verzenen (bij gestrekt been) af, dan is dat een teken dat de buigpezen niet verder kunnen rekken en het om een echte bokhoef gaat.
Een echte bokhoef kan bovendien ofwel aangeboren zijn (d.w.z. het veulen komt al met deze standafwijking ter wereld) ofwel tijdens de groei worden verworven.
Gevolgen van een bokhoef
Bij een bokhoef wordt door de permanente steilstand van het hoefbeen het teengedeelte van de hoef overbelast. Enerzijds wordt daardoor de teenwand bij het afvoeten mechanisch "weggehefboomd", wat ondanks een gezonde lamellenlaag kan leiden tot een verbrede witte lijn. Anderzijds wordt het teengedeelte overmatig afgesleten, wat soms leidt tot een dunne zool. Bovendien zal het hoefbeen zich door de aanhoudende onfysiologische druk langzaam omvormen: het bot wordt aan de punt van onderaf afgebroken en ontwikkelt aan het onderste uiteinde richting teenwand een aanwas. Het hoefbeen van een volwassen paard met een bokhoef kan er daardoor uiteindelijk vergelijkbaar uitzien als het hoefbeen van een paard met hoefbevangenheid met hoefbeenrotatie.
Zonder tegenmaatregelen wordt een bokhoef in de loop van het paardenleven doorgaans slechter en kan soms leiden tot doorzakken van de kootgewricht. Daarbij wordt het kootgewricht naar voren gedrukt en in beweging niet meer normaal gebogen.
Behandeling van de bokhoef
Bij de behandelingsmogelijkheden is het doorslaggevend hoe oud het paard is. Bij een veulen groeien alle structuren nog en kunnen daarom tot op zekere hoogte beïnvloed worden. Belangrijk is hier een nauwe samenwerking tussen hoefverzorger, dierenarts en eigenaar in de eerste zes levensmaanden. In deze periode zijn de epifysairschijven van de onderste botten nog niet gesloten en kan de grootste invloed worden uitgeoefend. Daarna zijn de mogelijkheden al beperkt.
Tot de behandelingsmogelijkheden op veulenleeftijd behoren:
- inkorten van de verzenen
- aanbrengen van castverbanden
- kunstmatige verlenging van de teen door aanbrengen van verlengde stijve plakbeslagen of spalken
- veel beweging op harde ondergrond
- toediening van oxytetracycline (een antibioticum dat als bijwerking de botgroei remt; het precieze werkingsmechanisme met betrekking tot de verbetering van de bokhoef kon echter nog niet volledig worden opgehelderd)
In ernstige gevallen kan ook een operatie plaatsvinden, waarbij de ondersteuningsband van de diepe buigpees wordt doorgesneden.
Zodra het paard is uitgegroeid, kan een echte bokhoef nauwelijks nog volledig worden verholpen. Met goed management kunnen echter verbeteringen worden bereikt en kan het paard daarmee (afhankelijk van de ernst) een probleemloos leven leiden. Tot de managementmaatregelen behoren:
- zeer korte bewerkingsintervallen (in sommige gevallen elke 1-2 weken)
- verzenen "comfortabel" maken, d.w.z. zorgen voor een fysiologische ontwikkeling van straal en hoeksteunen
- veel beweging
- voldoende harde ondergrond in de paddock
Een onechte bokhoef kan daarentegen met een goede hoefbewerking weer volledig genezen worden. Ook hier is een zeer nauwsluitende hoefbewerking nodig en is eventueel een permanente hoefbescherming voor een bepaalde tijd zinvol, om de overbelaste teen tegen te veel slijtage te beschermen.
Oorzaken en preventie
Er zijn veel omstandigheden die kunnen bijdragen aan de vorming van een bokhoef en niet alle zijn wetenschappelijk eenduidig aangetoond. Ook moeten de oorzaken naargelang het type bokhoef worden onderscheiden:
mogelijke oorzaken van een aangeboren bokhoef:
- gebrekkige voedingsstoffenvoorziening van de drachtige merrie (vooral tekort aan calcium, fosfor, koper en vitamine A, vitamine D3 en vitamine E)
- verkeerde ligging van de foetus in de baarmoeder
- een ongunstige grootteverhouding tussen dekhengst en moedermerrie
- wanverhouding tussen de spieren die het been buigen en die die het been strekken
- een erfelijke oorzaak/genetische aanleg (tegenstrijdige studieresultaten)
mogelijke oor






